English
Detailed Translations for overcharge from English to Dutch
overcharge: (*Using Word and Sentence Splitter)
- over: over; overheen; uit; klaar; afgelopen; af; voltooid; geëindigd; afgedaan; beëindigd; gepleegd; voorbij; gepasseerd; boven; bovenop; erboven; gedaan; gereed; gaar; doorgekookt; omver
- charge: factureren; in rekening brengen; aanklagen; ten laste leggen; beschuldiging; aanklacht; tenlastelegging; overdrijven; chargeren; verklaring; rapport; lading; proces verbaal; electrische lading; beschuldigen; verdenken; betichten; verdacht maken; incrimineren; gebieden; bevelen; opdragen; commanderen; gelasten; verordenen; decreteren; casseren; verordonneren; voorschrijven; dicteren; tenlaste leggen; toeslag
overcharge:
Translation Matrix for overcharge:
Verb | Related Translations | Other Translations |
- | fleece; gazump; hook; overload; pluck; plume; rob; soak; surcharge | |
Other | Related Translations | Other Translations |
- | fleece |
Related Words for "overcharge":
Synonyms for "overcharge":
Antonyms for "overcharge":
Related Definitions for "overcharge":
External Machine Translations: