Dutch
Detailed Translations for aanblijven from Dutch to English
aanblijven:
-
aanblijven
Conjugations for aanblijven:
o.t.t.
- blijf aan
- blijft aan
- blijft aan
- blijven aan
- blijven aan
- blijven aan
o.v.t.
- bleef aan
- bleef aan
- bleef aan
- bleven aan
- bleven aan
- bleven aan
v.t.t.
- ben aangebleven
- bent aangebleven
- is aangebleven
- zijn aangebleven
- zijn aangebleven
- zijn aangebleven
v.v.t.
- was aangebleven
- was aangebleven
- was aangebleven
- waren aangebleven
- waren aangebleven
- waren aangebleven
o.t.t.t.
- zal aanblijven
- zult aanblijven
- zal aanblijven
- zullen aanblijven
- zullen aanblijven
- zullen aanblijven
o.v.t.t.
- zou aanblijven
- zou aanblijven
- zou aanblijven
- zouden aanblijven
- zouden aanblijven
- zouden aanblijven
diversen
- blijf aan!
- blijft aan!
- aangebleven
- aanblijvende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
Translation Matrix for aanblijven:
Verb | Related Translations | Other Translations |
remain in office | aanblijven | |
stay on | aanblijven |
Wiktionary Translations for aanblijven:
aanblijven
verb
-
in dezelfde functie blijven
- aanblijven → stay on