Summary


Dutch

Detailed Translations for puzzel from Dutch to French

puzzel:

puzzel [de ~ (m)] nomen

  1. de puzzel (hersenbreker; probleem)
    le puzzle; le casse-tête; l'énigme; le mots croisés; le mystère

Translation Matrix for puzzel:

NounRelated TranslationsOther Translations
casse-tête hersenbreker; probleem; puzzel hoofdbrekens; knots; knuppel; ploertendoder
mots croisés hersenbreker; probleem; puzzel kruiswoordraadsel
mystère hersenbreker; probleem; puzzel geheim; geheimzinnigheid; heimelijkheid; mirakel; mysterie; raadsel; raadselachtigheid; stiekemheid; verborgenheid; wonder
puzzle hersenbreker; probleem; puzzel legpuzzel; raadsel
énigme hersenbreker; probleem; puzzel probleemstelling; raadsel; stelling; vraagstelling
ModifierRelated TranslationsOther Translations
casse-tête hoofdbrekend

Related Words for "puzzel":

  • puzzelen, puzzels, puzzeltje, puzzeltjes

Wiktionary Translations for puzzel:

puzzel
noun
  1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
puzzel
noun
  1. jeux|nocat=1 Jeu de patience composé de petites pièces à contours irréguliers que l’on doit assembler pour reconstituer une image.
  2. Jeu d’esprit

Cross Translation:
FromToVia
puzzel puzzle jigsaw puzzle — type of puzzle
puzzel puzzle; casse-tête; jeu de patience puzzle — game for one person

puzzelen:

puzzelen verb (puzzel, puzzelt, puzzelde, puzzelden, gepuzzeld)

  1. puzzelen (puzzels oplossen)

Conjugations for puzzelen:

o.t.t.
  1. puzzel
  2. puzzelt
  3. puzzelt
  4. puzzelen
  5. puzzelen
  6. puzzelen
o.v.t.
  1. puzzelde
  2. puzzelde
  3. puzzelde
  4. puzzelden
  5. puzzelden
  6. puzzelden
v.t.t.
  1. heb gepuzzeld
  2. hebt gepuzzeld
  3. heeft gepuzzeld
  4. hebben gepuzzeld
  5. hebben gepuzzeld
  6. hebben gepuzzeld
v.v.t.
  1. had gepuzzeld
  2. had gepuzzeld
  3. had gepuzzeld
  4. hadden gepuzzeld
  5. hadden gepuzzeld
  6. hadden gepuzzeld
o.t.t.t.
  1. zal puzzelen
  2. zult puzzelen
  3. zal puzzelen
  4. zullen puzzelen
  5. zullen puzzelen
  6. zullen puzzelen
o.v.t.t.
  1. zou puzzelen
  2. zou puzzelen
  3. zou puzzelen
  4. zouden puzzelen
  5. zouden puzzelen
  6. zouden puzzelen
diversen
  1. puzzel!
  2. puzzelt!
  3. gepuzzeld
  4. puzzelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for puzzelen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
faire des mots croisés puzzelen; puzzels oplossen
faire des puzzles puzzelen; puzzels oplossen

Related Words for "puzzelen":