Dutch
Detailed Translations for fatsoeneren from Dutch to Swedish
fatsoeneren:
-
fatsoeneren
Conjugations for fatsoeneren:
o.t.t.
- fatsoeneer
- fatsoeneert
- fatsoeneert
- fatsoeneren
- fatsoeneren
- fatsoeneren
o.v.t.
- fatsoeneerde
- fatsoeneerde
- fatsoeneerde
- fatsoeneerden
- fatsoeneerden
- fatsoeneerden
v.t.t.
- heb gefatsoeneerd
- hebt gefatsoeneerd
- heeft gefatsoeneerd
- hebben gefatsoeneerd
- hebben gefatsoeneerd
- hebben gefatsoeneerd
v.v.t.
- had gefatsoeneerd
- had gefatsoeneerd
- had gefatsoeneerd
- hadden gefatsoeneerd
- hadden gefatsoeneerd
- hadden gefatsoeneerd
o.t.t.t.
- zal fatsoeneren
- zult fatsoeneren
- zal fatsoeneren
- zullen fatsoeneren
- zullen fatsoeneren
- zullen fatsoeneren
o.v.t.t.
- zou fatsoeneren
- zou fatsoeneren
- zou fatsoeneren
- zouden fatsoeneren
- zouden fatsoeneren
- zouden fatsoeneren
en verder
- ben gefatsoeneerd
- bent gefatsoeneerd
- is gefatsoeneerd
- zijn gefatsoeneerd
- zijn gefatsoeneerd
- zijn gefatsoeneerd
diversen
- fatsoeneer!
- fatsoeneert!
- gefatsoeneerd
- fatsoenerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
Translation Matrix for fatsoeneren:
Noun | Related Translations | Other Translations |
modellera | modelzitten; poseren | |
Verb | Related Translations | Other Translations |
forma | fatsoeneren | beeldhouwen; boetseren; kneden; maken; modelleren; stileren; vervaardigen; vorm geven; vormen; vormgeven |
modellera | fatsoeneren | boetseren; modelleren; vorm geven; vormen |
skapa | fatsoeneren | concipiëren; formeren; in het leven roepen; kneden; maken; modelleren; ontwerpen; scheppen; vervaardigen; vormen; vormgeven |